Paardenmeisje

In mijn roman laat ik broer en zus balanceren op stoeptegels in een modderige regenplas. In werkelijkheid waren wij de twee kinderen die op een zoveelste middag na school balanceerden op stapels stoeptegels. Jij voorop. We beklommen zandheuvels en sprongen op het karkas van een springveren bed. We hingen rond in speeltuintjes waar we misschien al iets te oud voor waren. We spraken lacherig over pedofielen, die toen nog gewoon ‘kinderlokkers’ heetten, en voor wie we jong genoeg waren. We scheelden twee weken, maar jij was veel volwassener dan ik. Je beheerde je eigen snoepgeld en deelde de buit: drop en kauwgomballen.

Je was een fanatiek paardenmeisje met een stuk of acht katten. Jouw hele huis rook naar kat. Jouw huis ademde kat. In de keuken dansten we een keer met pannendeksels voor de dove Siamees. Alle katten stoven weg, de Siamees bleef. Dat noemen we nu ‘proefondervindelijk’, maar dat wist ik toen nog niet. Wanneer ik bleef logeren, keek ik tegen posters aan van bruine paarden met lange wimpers en uitdrukkingsloze ogen. Ik snapte je fascinatie niet helemaal. Aan de plafondlijst hingen alle wedstrijdlintjes die jij ooit won. Keurig gesorteerd op kleur. Je had een complete regenboog.

Na de basisschool schreven we elkaar hysterisch luchtige brieven. Elke suggestie van ernst werd vakkundig om zeep geholpen (‘dat vind ik dus best een beetje stom, maar ja, HAHAHA!’). Af en toe spraken we af tussen de groeischeuten door. Naast wedstrijdlintjes spaarde jij ook flesjes Flügel. Ze roken naar kauwgomballen. Dat noemen we nu ‘vies’ en dat wisten we toen eigenlijk ook al.

“Sommige mensen maken zich heel voorzichtig, zonder trompetgeschal, onsterfelijk.”

Ongeveer een keer per jaar bak ik een havermoutpannenkoek zoals jij het mij leerde. De smaak brengt mij terug naar naschoolse middagen waar ik het kind was en jij, twee weken ouder, de volwassene. Niemand scoorde hoger op de Citotoets. Niemand bloosde mooier, van oor tot oor. Sommige mensen maken zich heel voorzichtig, zonder trompetgeschal, onsterfelijk.

Curling en steak

Is dit het nu, denk ik, het dieptepunt? Is dit het definitieve moment om te twijfelen aan mijn geestelijke gesteldheid? Al vijf minuten luister ik naar een olympische curlingwedstrijd. Soms werp ik een blik op de televisiebeelden. Voor een sport met bezems wordt er opmerkelijk veel geschreeuwd. Ik luister naar een wedstrijd tussen Koreaanse en Zweedse dames. Ze spugen hun longen uit hun lijf om hun teamgenoten te instrueren.

Joris, de commentator, moet weten dat er niemand in Nederland om half elf ’s ochtends naar hem luistert. Niemand behalve zijn moeder, zijn vriendin en ik. Het is zijn feestje en zoals wel vaker op zijn feestjes is Joris gastheer en lolbroek tegelijk. Wanneer de Zweedse dames de opstelling van de stenen bekijken, grapt hij dat ze kijken alsof ze met z’n vieren een kast in elkaar moeten gaan zetten. Het is toch knap dat het hem lukt om met een enkele opmerking zowel de sport, de Zweedse bevolking en vrouwen te bespotten. Hij voegt er droogjes aan toe: ‘Het is ook een complex proces.’

“Joris roept dat we beter van een ‘mistake’ dan ‘steak’ kunnen spreken. Joris gniffelt.”

Ik leer dat de cirkels op het ijs ‘het huis’ heten. Dat vind ik aandoenlijk. Evenals de namen die de sporters zichzelf geven. Om voor mij onduidelijke redenen vernoemen de Zuid-Koreaanse vrouwen zichzelf naar etenswaren. Zo loopt er een ‘pancake’ rond en een ‘steak’. Dat is voor westerse commentatoren wel zo makkelijk. (Ik herinner me een Zuid-Koreaanse collega die zich standaard voorstelde als John. Waarde hechten aan je eigen naam is een raar westers gebruik.) Zuid-Korea maakt een foutje, hun steen knikkert het huis uit. Joris roept dat we beter van een ‘mistake’ dan ‘steak’ kunnen spreken. Joris gniffelt. Dit is het dieptepunt, weet ik, maar toch niet het mijne.

Een Russische atleet is tijdens deze winterspelen positief bevonden op doping. Dat is verrassend, omdat de Russen vier jaar geleden nog goud behaalden op het skischansonderdeel de-dopingdans-ontspringen. Maar wat nog meer verrast: het betreft een lid van het curlingteam. De olympische druk is hoog, ook voor degenen die met bezems een steen naar huis drijven.

Bloemetjesbank

Kleine rampen gaan vooraf aan mijn meest succesvolle sollicitatiegesprekken. Denk aan een hysterische treinvertraging en een kapotte telefoon. Een gescheurde rok en een afgeschaafd duimtopje. Op vrijdagochtend hoop ik daarom ineens op een gestolen fiets en een sneeuwbui die de trams stillegt. Maar helaas, ik kan fietsen door een onbesneeuwd Vondelpark. Keurig op tijd voor mijn gesprek.

De meneer die zijn hand naar mij uitsteekt, lijkt niet op de man die ik vond onder ‘afbeeldingen’. Hij is minstens twintig jaar ouder. Kaler bovendien. ‘Ik denk niet dat je voor mij komt,’ zeg ik in lichte paniek terwijl ik in de hal zoek naar mensen voor wie hij dan wel komt. ‘Kom jij dan voor mij?’ informeert hij. De man glimlacht. Mijn verwarring is groot.

“Iedereen weet dat een sollicitatiegesprek wordt gevoerd op stoelen met daartussen een tafel.”

Op het kantoor stel ik mij voor aan de Dichter die gelukkig wel lijkt op de man die ik vond onder ‘afbeeldingen’. De Dichter schudt mij zijn hand. Zijn gratie vloekt met de rest van het kantoor.
‘Koffie of thee?’
‘Thee.’
‘Ga zitten.’
De hoofdredacteur knikt naar een bank met roze bloemetjes. Dat moet een vergissing zijn. Iedereen weet dat een sollicitatiegesprek wordt gevoerd op stoelen met daartussen een tafel. Die bloemetjesbank, die niet zou misstaan in de woonkamer van een Engelse oma, kan onmogelijk voor mij bedoeld zijn. Na enig aandringen neem ik toch plaats. De hoofdredacteur en de Dichter kiezen allebei voor een pluizige bureaustoel. Ze torenen een beetje boven me uit.

Ze werken nu al vijftien jaar met elkaar samen. Oude mensen kunnen ook zo kijken wanneer ze hun leeftijd of huwelijksjaren noemen. Ik vraag me af of ze straks samen, op deze bank, gaan lunchen. Plakkerige boterhammen uit een zakje. Die gedachte stemt mij vrolijk. Ik begin mij tijdens het gesprek gevaarlijk op mijn gemak te voelen. Of ik snel kan schrijven? Geen idee. Of ik goed om kan gaan met kritiek? Ja best. De hoofdredacteur schenkt nog een kopje thee voor me in. Die bank wordt nog mijn ondergang.

Uitgespeeld

De jongen is een jaar of twaalf. Eerder mollig dan slank. Donkere ogen, ernstige blik. Ik denk dat hij, net als ik, de weg wil weten. Hij vraagt me of ik rock-paper-scissors met hem wil spelen. Als hij wint, zegt hij, dan krijgt hij geld. De jongen lacht er niet bij. Het is een serieus voorstel, dat is duidelijk. Hij vertelt me niet of ik ook iets kan winnen. Ik schud mijn hoofd en maak aanstalten om verder te lopen. Meteen vraagt hij of ik anders wil spelen zónder geld. De jongen is niet veel kleiner dan ik. Hij staat op het punt om groter te worden dan hij wil.

“Hij weet niet meer precies waar, maar hij moet zijn charme ergens verloren zijn.”

Vroeger kon zijn gedrag of zelfs zijn simpele aanwezigheid rekenen op de liefkozende blikken van onbekende vrouwen in wachtruimtes en winkels. Soms stootten de dames elkaar aan en maakten daarbij goedkeurende hoge geluidjes. Hij vond dat helemaal niet raar. Zijn moeder was het ergste. Ze stopte hem, wanneer ze maar tijd had (en zijn moeder had veel tijd), vol met koekjes en goede bedoelingen. Tegenwoordig is zijn moeder de enige vrouw die hem nog liefdevol aankijkt. De onbekende vrouwen zijn lang opgehouden naar hem te glimlachen. Winkelpersoneel houdt hem in de gaten. Als hij iets besluit te pakken, pakt hij het met een overdreven gebaar, zodat iedereen het goed kan zien. Hij stopt nooit zijn handen in zijn zakken (ook al voelt dat zoveel fijner). Hij weet niet meer precies waar, maar hij moet zijn charme ergens verloren zijn. Op de groente- en fruitafdeling misschien. Of tussen de schriftjes van de HEMA.

Hij is net de straat overgestoken als hij de mevrouw ziet lopen met een fiets. Dat is vreemd, vindt hij, maar hij ziet niet dat de fiets een platte achterband heeft. De mevrouw is oud genoeg om iemands moeder te zijn. De mevrouw kijkt een beetje alsof ze de weg kwijt is. Ze blijft staan wanneer hij haar aanspreekt. Dat is een gunstig teken, meent hij.