Ik ken mijn buurman hoofdzakelijk van het gehoest vanaf zijn hoger gelegen dakterras. Ik stel mij zo voor (ik kan hem niet zien) dat hij ’s ochtends in een licht versleten badjas op zijn terras staat, peuk in de ene hand, koffie in de andere, en de omliggende daken en straten overziet met een sceptische, ietwat trieste blik. Als er bezoek is, spreekt mijn buurman met een zelfverzekerde, harde stem. Zijn blik fonkelt alleen in gezelschap. Als het even kan, loopt mijn buurman me op straat straal voorbij.
Het is allemaal niet zo relevant, maar het verklaart wellicht waarom – nadat mijn buurman vanavond op zijn dakterras de tedere woorden ‘Dag mama’ uitsprak en er een wolkje van stof op mij neerdwarrelde – ik helemaal niks durfde te zeggen. Ik bevroor, keek naar het subtiele laagje stof dat in mijn glas thee dreef. De wolk was mama. Mama zat in mijn thee. Ik likte mijn lippen zonder nadenken. Vroeg me af hoe as zou smaken. Wat er ook zou gebeuren, ik mocht niet hoesten.
Lang wachtte ik met een oppervlakkige ademhaling op een speech van de buurman, maar het bleef stil boven mij. Er waren niet zoveel woorden nodig om dag te zeggen. We keken naar de zuurstokroze wolken boven de stad. Misschien dacht mijn buurman aan vroeger, aan hoe zijn moeder hem stiekem, buiten zijn vaders blik, iets lekkers toestopte in de keuken en hoe haar ogen dan even triomfantelijk fonkelden als de zijne. Toen ik absoluut zeker wist dat de buurman terug naar binnen was, leegde ik het plasje thee in mijn bascilicumplant. Mama was een wolk. Mama was een plant. Wie wist waar moeders heengingen.