Naar Vasalis

Soms gedraagt verdriet zich als een steen in je ingewanden, een steek in je zij, meer niet. Maar een heel enkele keer raak je ingekapseld, word jezelf die steen, en na verloop van tijd kent niemand je meer terug. Dat kan gerust weken of jaren zo doorgaan. Tot een zeker iemand of misschien wel een heel lief dier aan je buitenste laag begint te krabbelen, en je denkt: Krabbel zoveel je wil, ik ben van steen. Het lieve dier krabbelt door alsof jij een of andere verborgen schat bent of misschien wel een fossiel, en tot je eigen ontsteltenis fluistert het dier op een dag: ‘Ah, daar was je al die tijd gebleven…’ En je voelt jezelf week worden, terwijl stenen toch maar zelden week zijn. En je raakt vertwijfeld de randen aan, zoals een kleine krab de zijwaartse vloedlijn, en je vraagt je af of dit een veilige plek is waar je vrij kan ademen. Je voelt je week als snot terwijl het dier liefkozend in je zij knijpt en zegt: ‘Je bent prachtig zoals je bent.’ En je vindt dat maar moeilijk om te accepteren, omdat je vergeten bent hoe je je moet gedragen. Alsof je een persoonlijkheid hebt met zijwieltjes. Eerst maar even uitproberen.. Misschien is het allemaal wel waar wat ze zeggen over acteurs, dat ze kameleons zijn zonder een hart. Als een huis in de fik staat, krijst alleen een acteur ‘moord!’ en ‘brand!’ (vooral dat laatste, neem ik aan). Je hebt niks aan hen, als het er echt toedoet.

Je bent dus prachtig, je moet het maar gewoon geloven, zoals je met je voeten steeds iets dieper in de vloedlijn zakt, en je tenen worden modder, en je haren en wangen worden wind, en je lijf is een boompje met zuchtende takken. En je denkt aan bossen die kreunen en bezwijken door hitte. En je denkt aan brand! maar je roept het niet, want je bent geen clown. En je denkt aan datacenters, alsof het gigantische zwarte dozen zijn die alles wat ze op hun pad tegenkomen opslokken en weer uitkotsen met een glanzend metalig smaakje. En het lieve dier of zomaar iemand in het voorbijgaan vraagt: ‘Waar denk je aan?’ Het klinkt romantisch en je denkt aan brand. Maar je zegt het niet, want dat klinkt zo ongezellig, dus je zegt dat je aan niks denkt, niks bijzonders in elk geval. En het lieve dier bekijkt je ineens nogal sceptisch, terwijl je wild om je heen grijpt naar je denkbeeldige zijwieltjes. ‘Ik ben geen boom,’ zeg je op een toon zoals anderen ‘sorry’ zeggen. ‘Nee,’ zegt de ander, ‘je bent geen boom.’ Je reikt naar het kuiltje tussen schouder en kin, een kuiltje om een kleine steen in te bewaren, en je hoopt dat je een steen bent.

Gastvrouw

Als je mensen telt op een feestje, reken je dan ook jezelf mee? Je ziet wie een leeg glas heeft, wie zich verveelt, wie heupwiegend danst. Je ziet alles en iedereen, maar je vergeet jezelf helemaal. Is dat misschien wat er met jou gebeurde? Was je jezelf even vergeten, zoals kleine kinderen de handen voor hun gezicht kunnen slaan en menen dat ze onzichtbaar zijn?

Dat een feestje een tamelijk slechte metafoor is, hoef ik je waarschijnlijk niet uit te leggen. Iets over slingers? Je zou met je ogen rollen. Jij snapt wat er echt belangrijk is, dacht ik. Jij hebt je prioriteiten op orde en begrijpt dat werk gerommel is in de marge van het leven. Maar ergens in de rekensom van wat belangrijk is, heb je jezelf onverbiddelijk weggestreept. En ik snap het niet meer.

Tel nog eens goed nu. Tel nog eens. Tel net zo vaak opnieuw tot je eindelijk weet wie er mist. Dit feestje, dat geen feestje is, schreeuwt om een gastvrouw.

Een hallucinatie

Stel je voor dat je op een dag doodgaat, nee, stel je voor dat je op een dag wakker wordt en ziet dat AI je heeft dood verklaard. AI heeft je gedachteloos in de verleden tijd gezet. Er is geen enkel persoon aan te pas gekomen om deze ‘is’ te veranderen naar ‘was’.

Taalmodellen liegen niet, ze hallucineren. Maar als taal kansberekening wordt, hoe zeker is dan je eigen sterfdatum? Jij vertrouwt lijstjes niet die suggereren dat iets af is. Jij denkt liever zelf na, zeg je. Je bent opgegroeid met krant en televisie, miniknakworstjes in een steelpan, films met Sandra Bullock. In een van die films, The Net, wordt Sandra’s identiteit met een druk op de knop gewist. Een beetje zoals jij nu dood en tegelijk niet dood bent. In de jaren negentig waren we al bang om onszelf te verliezen in een digitaal net.

Het was een opluchting voor je om te horen dat de dood geen marathon was, waar je maanden voor moest trainen. Een sportief type ben je nooit geweest. Je lichaam weet precies hoe het moet sterven. In de jaren tachtig ben je een vrolijk kind dat tegen bomen praat, maar alleen als niemand luistert. Je bent ijverig en verlegen. Je hebt een roze, kleine rugzak en je fantaseert soms wat je meeneemt in die rugzak als je van huis zou weglopen. Hoeveel snoepjes tot je honger krijgt? Hoeveel stoffen zakdoeken, geurpennen, geplukte bloemen, geschaafde knieën? Als je een worm in tweeën deelt, zijn er dan twee wormen? Je begint met het maken van een lijstje. Je vraagt je af hoe lang altijd duurt.

Buurman

Ik ken mijn buurman hoofdzakelijk van het gehoest vanaf zijn hoger gelegen dakterras. Ik stel mij zo voor (ik kan hem niet zien) dat hij ’s ochtends in een licht versleten badjas op zijn terras staat, peuk in de ene hand, koffie in de andere, en de omliggende daken en straten overziet met een sceptische, ietwat trieste blik. Als er bezoek is, spreekt mijn buurman met een zelfverzekerde, harde stem. Zijn blik fonkelt alleen in gezelschap. Als het even kan, loopt mijn buurman me op straat straal voorbij.

Het is allemaal niet zo relevant, maar het verklaart wellicht waarom – nadat mijn buurman vanavond op zijn dakterras de tedere woorden ‘Dag mama’ uitsprak en er een wolkje van stof op mij neerdwarrelde – ik helemaal niks durfde te zeggen. Ik bevroor, keek naar het subtiele laagje stof dat in mijn glas thee dreef. De wolk was mama. Mama zat in mijn thee. Ik likte mijn lippen zonder nadenken. Vroeg me af hoe as zou smaken. Wat er ook zou gebeuren, ik mocht niet hoesten.

Lang wachtte ik met een oppervlakkige ademhaling op een speech van de buurman, maar het bleef stil boven mij. Er waren niet zoveel woorden nodig om dag te zeggen. We keken naar de zuurstokroze wolken boven de stad. Misschien dacht mijn buurman aan vroeger, aan hoe zijn moeder hem stiekem, buiten zijn vaders blik, iets lekkers toestopte in de keuken en hoe haar ogen dan even triomfantelijk fonkelden als de zijne. Toen ik absoluut zeker wist dat de buurman terug naar binnen was, leegde ik het plasje thee in mijn bascilicumplant. Mama was een wolk. Mama was een plant. Wie wist waar moeders heengingen.

Vuurwerk

Het ging niet om het vuurwerk. Het ging om ’s nachts met een half glas champagne en een open jas de straat op gaan. Hoe koud het ook was, de jas ging niet dicht, want we hielden elkaar vast en het duurde toch maar even. Niet flauw doen. Samen met bleke neuzen en strak gevouwen armen naar de hemel staren. De opgetogen oh’s en ah’s na elke knal. De bewondering moest worden uitgesproken alsof het een  bezwering was. Het ging niet om het vuurwerk. Het ging om een onderbreking van onze gewone, kleine dagen die zich aaneenregen tot een niet bijzonder noemenswaardige tijd. We doorbraken de sleur door onze intense blikken, als gloeiende kooltjes, naar boven te richten. We vertelden elkaar sprookjes of deden beloften waarvan we toen al vermoedden dat we ze niet konden houden, wat in feite op hetzelfde neerkomt, maar sprookjes klinken gezelliger. Het ging ons niet om het vuurwerk. Het ging om vol goede moed, of steeds vaker tegen beter weten in, uitkijken naar het volgende jaar. Elkaar het beste wensen. Elkaar vergeven. Elkaar het licht in de ogen gunnen. Dat is wat we uit alle macht probeerden voordat we de voordeur dichttrokken. We knipten de lichten uit en sloten onze ogen. We lagen in bed, achter onze oogleden ontvouwden zich kleurrijke bloemen. In ons hoofd ontketenden zich vage revoluties en onzegbare openbaringen. We zwegen en koesterden wat ons langzaam ontglipt.