Buurman

Ik ken mijn buurman hoofdzakelijk van het gehoest vanaf zijn hoger gelegen dakterras. Ik stel mij zo voor (ik kan hem niet zien) dat hij ’s ochtends in een licht versleten badjas op zijn terras staat, peuk in de ene hand, koffie in de andere, en de omliggende daken en straten overziet met een sceptische, ietwat trieste blik. Als er bezoek is, spreekt mijn buurman met een zelfverzekerde, harde stem. Zijn blik fonkelt alleen in gezelschap. Als het even kan, loopt mijn buurman me op straat straal voorbij.

Het is allemaal niet zo relevant, maar het verklaart wellicht waarom – nadat mijn buurman vanavond op zijn dakterras de tedere woorden ‘Dag mama’ uitsprak en er een wolkje van stof op mij neerdwarrelde – ik helemaal niks durfde te zeggen. Ik bevroor, keek naar het subtiele laagje stof dat in mijn glas thee dreef. De wolk was mama. Mama zat in mijn thee. Ik likte mijn lippen zonder nadenken. Vroeg me af hoe as zou smaken. Wat er ook zou gebeuren, ik mocht niet hoesten.

Lang wachtte ik met een oppervlakkige ademhaling op een speech van de buurman, maar het bleef stil boven mij. Er waren niet zoveel woorden nodig om dag te zeggen. We keken naar de zuurstokroze wolken boven de stad. Misschien dacht mijn buurman aan vroeger, aan hoe zijn moeder hem stiekem, buiten zijn vaders blik, iets lekkers toestopte in de keuken en hoe haar ogen dan even triomfantelijk fonkelden als de zijne. Toen ik absoluut zeker wist dat de buurman terug naar binnen was, leegde ik het plasje thee in mijn bascilicumplant. Mama was een wolk. Mama was een plant. Wie wist waar moeders heengingen.

Vuurwerk

Het ging niet om het vuurwerk. Het ging om ’s nachts met een half glas champagne en een open jas de straat op gaan. Hoe koud het ook was, de jas ging niet dicht, want we hielden elkaar vast en het duurde toch maar even. Niet flauw doen. Samen met bleke neuzen en strak gevouwen armen naar de hemel staren. De opgetogen oh’s en ah’s na elke knal. De bewondering moest worden uitgesproken alsof het een  bezwering was. Het ging niet om het vuurwerk. Het ging om een onderbreking van onze gewone, kleine dagen die zich aaneenregen tot een niet bijzonder noemenswaardige tijd. We doorbraken de sleur door onze intense blikken, als gloeiende kooltjes, naar boven te richten. We vertelden elkaar sprookjes of deden beloften waarvan we toen al vermoedden dat we ze niet konden houden, wat in feite op hetzelfde neerkomt, maar sprookjes klinken gezelliger. Het ging ons niet om het vuurwerk. Het ging om vol goede moed, of steeds vaker tegen beter weten in, uitkijken naar het volgende jaar. Elkaar het beste wensen. Elkaar vergeven. Elkaar het licht in de ogen gunnen. Dat is wat we uit alle macht probeerden voordat we de voordeur dichttrokken. We knipten de lichten uit en sloten onze ogen. We lagen in bed, achter onze oogleden ontvouwden zich kleurrijke bloemen. In ons hoofd ontketenden zich vage revoluties en onzegbare openbaringen. We zwegen en koesterden wat ons langzaam ontglipt.

Vanzelfsprekend

‘3,5 kilo,’ zegt mijn schoonzus. ‘Het gewicht van een pasgeboren baby.’ En we proberen daar met z’n allen iets moois, iets symbolisch in te lezen, maar eerlijk gezegd voelt mijn vaders as in mijn handen zwaarder dan een baby. Ik druk de bamboeurn tegen mijn winterjas en ik heb even de sensatie dat ik mijn vader vasthoud zoals jonge moeders hun baby.

De buik van de urn is iets te dik voor het gat in de grond. De urn blijft steken en ik durf je niet los te laten. Ook daar proberen we iets in te lezen. Jouw buik had ooit ook die vorm. Er wordt gelachen.

Een paar seconden nadat ze op de knop hebben geduwd, waardoor mijn vaders lichaam definitief, onomkeerbaar, als een soort pizza in een hete oven verdwijnt, zegt de Christelijke begrafenisondernemer: ‘Je zal hem toch een keer moeten loslaten.’ Wij, de kinderen, kijken hem ongelovig aan. Er zijn denk ik veel mensen ongeschikt om begrafenisondernemer te zijn. Deze meneer is er een van.

Het lichaam van een vader is een leven lang een vanzelfsprekendheid. Niet zo zeer mooi of lelijk, het is er en dat is genoeg. De buik, de baard, de handen die voelen alsof ze nog geen dag hebben gewerkt. In de zomer, ik ben een jaar of 9, ga ik met hem zwemmen in een inham van de rivier. We lopen met natte voeten door het zand terug naar onze handdoek. Mijn vaders voeten bewerk ik vakkundig met stokjes en gras net zolang tot ze weer schoon zijn. Mijn vaders zongebruinde voeten, een vanzelfsprekendheid.

De grond is donker en hard. De buik van de urn past net voorbij het smalste punt. We laten je zakken. Nu, denk ik, nu laten we je los.

Gelukszoeker

Ze noemen mij een gelukszoeker. Eerst begreep ik de woorden niet. Later, toen iemand het me uitlegde, begreep ik het nog steeds niet.

Ze noemen mij een gelukszoeker, alsof geluk een taart is en ik het laatste stukje heb gepakt. Maar als geluk een taart is, dan weet ik toch vrij zeker dat niemand mij iets heeft aangeboden. Ik slaap nu al een week op een stoel in een gang in een land waar mensen wanhopig het geluk proberen te vinden op de meest curieuze plekken. Ze zoeken het geluk in tenten. Ze zoeken het in uitwerpselen op overvolle w.c.’s. Ze zoeken het in nietsontziende hitte, verveling en onzekerheid. Ze zoeken het geluk in schurft. Je kunt het zo gek niet bedenken, of het geluk wordt gezocht. Maar als je ernaar vraagt, dan heeft helemaal niemand hier het geluk van dichtbij gezien.

En zelfs al zouden wij het vinden, waar kunnen wij ons geluk aan ophangen als wij geen muren hebben?

Maffe situatie

‘Wat neem je mee naar je eigen begrafenis?’
Ik opper een vaas, die past goed
Bij de drie zonnebloemen die hij
Tegen zijn borst geklemd houdt
Als waren het zijn kinderen.
Mijn vader loopt de deur uit.
Hij speelt vandaag zelf wel voor vaas.