Gelukszoeker

Ze noemen mij een gelukszoeker. Eerst begreep ik de woorden niet. Later, toen iemand het me uitlegde, begreep ik het nog steeds niet.

Ze noemen mij een gelukszoeker, alsof geluk een taart is en ik het laatste stukje heb gepakt. Maar als geluk een taart is, dan weet ik toch vrij zeker dat niemand mij iets heeft aangeboden. Ik slaap nu al een week op een stoel in een gang in een land waar mensen wanhopig het geluk proberen te vinden op de meest curieuze plekken. Ze zoeken het geluk in tenten. Ze zoeken het in uitwerpselen op overvolle w.c.’s. Ze zoeken het in nietsontziende hitte, verveling en onzekerheid. Ze zoeken het geluk in schurft. Je kunt het zo gek niet bedenken, of het geluk wordt gezocht. Maar als je ernaar vraagt, dan heeft helemaal niemand hier het geluk van dichtbij gezien.

En zelfs al zouden wij het vinden, waar kunnen wij ons geluk aan ophangen als wij geen muren hebben?

Maffe situatie

‘Wat neem je mee naar je eigen begrafenis?’
Ik opper een vaas, die past goed
Bij de drie zonnebloemen die hij
Tegen zijn borst geklemd houdt
Als waren het zijn kinderen.
Mijn vader loopt de deur uit.
Hij speelt vandaag zelf wel voor vaas.

De huissadist

Sommige mensen, mensen met weinig fantasie zoals journalisten, noemen mij een verward persoon. Maar ik ben het niet eens met die omschrijving.

Zij noemde mij de huissadist. Ik heb dat nooit vervelend gevonden. In mijn oren klonk het vriendelijk. De huissadist. Ik was voor haar een soort exotisch huisdier. Misschien eentje die gniffelde als je struikelde, maar meer boosaardigs hoefde je toch ook niet te verwachten van de huissadist. De huissadist was bovendien niet te beroerd om zijn steentje bij te dragen aan het huishouden. Ik deed vaker de afwas dan zij. Vaker de badkamer en het toilet. Vaker de keuken. Al die dingen deed zij namelijk nooit. Waar ik de huissadist was, was zij de batterij. Daar had ze het voortdurend over. Dat ze maar één batterij had en dat die gedurende de dag leegliep. Dus de huissadist deed wat hij kon om haar te ondersteunen. Het was vast niet makkelijk om een levende batterij te zijn en samen te leven met een huissadist die je dan ook nog nodeloze dingen vroeg als ‘Hoe was je dag?’ of ‘Wat wil je vanavond eten?’. Ze kon heus veel hebben, zei ze, maar dat niet.

Ik vond het niet erg om de huissadist te zijn zolang de nadruk lag op ‘huis’, maar toen het huis definitief leeg was, bleef de sadist over. Ik wist niet hoe ik moest bestaan zonder iemand die me vertelde wie ik was. Toen begon mijn slapeloosheid, de nachten dat ik over straat liep met een grote metalen pan en een grote metalen soeplepel. Tot ik bij de juiste straat was (altijd een andere, altijd minimaal vijf blokken van mijn eigen huis dat geen huis meer was), liep ik alsof ik toevallig bij iemand een pan soep ging bezorgen. In de juiste straat, haalde ik de lepel uit de pan, hees beide voorwerpen boven mijn hoofd, knalde de lepel tegen de achterkant van de pan, en schreeuwde uit alle macht: ‘Wakker worden allemaal!’ Dit deed ik zo’n vier a vijf keer achter elkaar, afhankelijk van hoe snel de lichten aansprongen. Daarna dook ik een andere straat in en liep ik weer gewoon alsof ik ergens een pan soep ging afleveren. Ik fluisterde dan vaak naar niemand in het bijzonder: ‘Wakker worden allemaal, ik ben de huissadist.’

Ik was niet verward, wil ik maar zeggen, ik liep hooguit via een omweg terug naar huis.