Zomerman

De armen van de zomerman zijn bedekt met sproeten. Hij is naakt zonder zijn sproeten.

Het begint als een grap: We tellen onze sproeten bij elkaar op. Duizenddrieëndertig, zeg ik opgelucht nadat we zeven zaterdagen op rij gezwegen hebben. De eerste duizend zijn van hem. Duizendeenentwintig, zegt hij beslist. Maar heb je die dan, vraag ik. En die? Ik laat de zomerman naar zichzelf kijken in mijn telefoonschermpje en wijs hem op de allerkleinste sproeten die zichzelf geraffineerd oprollen in een lachrimpel. Hij zegt dat hij ze allemaal geteld heeft. Misschien toch nog eens de schouders doen anders? Als we de schouders doen, zeg ik zogenaamd streng, is er geen houden meer aan. Nee, zucht hij gelukzalig, dat klopt. Hij legt zijn boek plat, met de buik naar beneden.

“Later, zegt hij, zullen we onze sproeten eerlijk over al onze kinderen verdelen.”

Maar de zon dan? Ik geef toe dat ik er pas laat aan dacht. Onze sproeten vermenigvuldigen zich in het zonlicht. We moeten dus harder tellen dan de zon schijnt. De zomerman knikt ernstig. We doen ons best, de hertelling kost ons slechts drie zaterdagen. We komen tot een compromis dat dicht genoeg bij de waarheid ligt. Later, zegt hij, zullen we onze sproeten eerlijk over al onze kinderen verdelen. We zijn tevreden en leunen voorzichtig tegen de blanco zaterdag aan. Ik strijk mijn vinger over de stoppels op zijn kin. Ik houd van het raspende geluid. Ik zoek het einde van de verveling. Wat is hier gebeurd, vraag ik. Hij raakt zijn kin vertwijfeld aan. Het is een litteken, zeg ik bijna verheugd. Daarna tonen we elkaar onze ellebogen en knieën. We vertellen elkaar dagenlang akelige verhalen die horen bij die ellebogen en knieën.

Na de sproeten en de littekens volgden de moedervlekken en de wratten. We kenden elkaar van binnen en buiten, maar vooral van buiten. In de herfstzon blonken de haren van de zomerman oppermachtig als een bosbrand. Als ik nu mijn ogen sluit, zie ik gloeiende blauwe plekken.